Een jachtslot als vertrekpunt
Het paleis van Versailles begon als een bescheiden jachtslot. Lodewijk XIII liet het rond 1623 bouwen op een heuvel bij het dorp Versailles, een plek waar hij graag ging jagen en die ver genoeg van Parijs lag om aan het hofleven te ontsnappen. Architect Philibert Le Roy bouwde een klein kasteel van rode baksteen met banden van lichte natuursteen en een leien dak, een stijl die later bekend zou staan als "brique et pierre". Niets aan dit gebouw wees erop dat het ooit het machtscentrum van Europa zou worden.
Lodewijk XIV kende het jachtslot van zijn vader uit zijn jeugd en had er een emotionele band mee. Toen hij besloot het uit te breiden tot een paleis, weigerde hij het oorspronkelijke gebouw te slopen. Die keuze bepaalde de rest van de bouwgeschiedenis: latere architecten moesten steeds om het bestaande kasteeltje heen bouwen in plaats van met een schone lei te beginnen. Dat verklaart ook waarom het paleis vandaag geen rechte, logische looproute kent en waarom sommige ramen op vreemde plekken zitten.
De grote uitbreiding onder Lodewijk XIV
Tussen 1661 en 1680 liet Lodewijk XIV het jachtslot in verschillende bouwfasen omvormen tot een van de grootste paleizen van Europa. De eerste grote uitbreiding, vanaf 1661, was het werk van architect Louis Le Vau, die aan de tuinzijde een omvangrijke aanbouw realiseerde: de zogeheten "enveloppe", een reeks staatsvertrekken die het oude kasteel omsloot zonder het te vervangen. Schilder en decorateur Charles Le Brun kreeg de leiding over de aankleding van de interieurs en ontwierp de allegorische plafondschilderingen die de regering van de koning verheerlijken. Tegelijk legde tuinarchitect André Le Nôtre de eerste versie van de tuinen aan, met de strakke assen, waterpartijen en perken die Versailles zijn herkenbare aanzicht gaven.
De Spiegelzaal en de tweede bouwgolf
Na de dood van Le Vau in 1670 nam Jules Hardouin-Mansart het architectenwerk over. Hij was verantwoordelijk voor de meest ingrijpende wijziging: vanaf 1678 liet hij het terras aan de tuinzijde vervangen door de Spiegelzaal, met haar zeventien grote spiegelbogen tegenover evenveel vensters. Le Brun tekende opnieuw voor de plafondschilderingen, dit keer met taferelen die de eerste achttien regeringsjaren van Lodewijk XIV verheerlijken. Hardouin-Mansart voegde ook de noord- en zuidvleugel toe, de kapel en de Grande Écurie en Grande Écurie tegenover het paleis, en breidde het Grand Trianon uit als rustiger toevluchtsoord voor de koning.
In totaal breidde het paleis onder Lodewijk XIV in drie fasen zo sterk uit dat het uiteindelijk woonruimte bood aan enkele duizenden mensen: de koninklijke familie, hovelingen, bedienden en de administratie van de staat.
Waarom het hof in 1682 naar Versailles verhuisde
In 1682 maakte Lodewijk XIV Versailles definitief tot de vaste zetel van het hof en de regering, hoewel de bouwwerkzaamheden op dat moment nog niet klaar waren en de huisvesting van de hovelingen provisorisch bleef. De verhuizing was een bewuste politieke keuze. Parijs had de koning nog vers in het geheugen aan de Fronde, de adellijke opstanden uit zijn jeugd, en hij vertrouwde de onrustige hoofdstad niet volledig. Door zijn hof naar een nieuw gebouwd paleis buiten de stad te verplaatsen, dwong hij de hoge adel om dicht bij hem te wonen en zich naar zijn regels te schikken, ver van hun eigen machtsbasis op het platteland.
Versailles werd zo niet alleen een woonplaats maar een instrument van bestuur. Wie aanzien wilde behouden, moest aan het hof aanwezig zijn; wie wegbleef, verloor invloed en gunsten. Dat principe hield de adel in feite gegijzeld door etikette en nabijheid, zonder dat er een verbod nodig was.
Het hofleven en de etikette
Aan het hof van Lodewijk XIV regelde een strikte etikette vrijwel elk moment van de dag. Het opstaan van de koning, het lever, en zijn avondritueel, het coucher, waren openbare plechtigheden waarbij hovelingen mochten toekijken of zelfs een taak mochten uitvoeren, zoals het aanreiken van een hemd. Welke hoveling welk voorrecht kreeg, hing af van rang en gunst, en dat maakte de dagelijkse rituelen tot een voortdurend machtsspel.
Ook de huisvesting binnen het paleis volgde strikte regels. De meeste hovelingen sliepen niet in het paleis zelf maar in het naastgelegen Grand Commun of in de stad Versailles; een kamer, vaak niet meer dan een zolderkamertje, binnen het paleis was een schaars en veelbegeerd voorrecht. Maaltijden, jachtpartijen, bals en muziekuitvoeringen vulden de rest van de dag en dienden evengoed om de koning zichtbaar te maken en de adel bezig te houden. Zo bleef er weinig tijd of energie over voor politieke intriges tegen de troon.
Lodewijk XV en Lodewijk XVI: nieuwe generaties, nieuwe accenten
Onder Lodewijk XV veranderde het paleis minder ingrijpend dan onder zijn overgrootvader, maar er kwamen belangrijke toevoegingen bij, zoals het Petit Trianon, gebouwd tussen 1762 en 1768 als een kleinschaliger, intiemer verblijf weg van het formele hofleven. Lodewijk XVI schonk dit gebouw later aan zijn vrouw Marie-Antoinette, die er ook het Hameau de la Reine liet aanleggen, een nagebouwd boerendorpje waar zij zich even aan de starre etikette van het hof kon onttrekken.
Deze latere geschiedenis van Versailles eindigde abrupt. Op 5 en 6 oktober 1789 trok een menigte Parijzenaars, voor een groot deel vrouwen, naar Versailles om brood te eisen en de koninklijke familie te dwingen naar Parijs terug te keren. Deze Vrouwenmars op Versailles dwong Lodewijk XVI het paleis te verlaten; hij en zijn familie zouden er nooit meer wonen. Daarmee kwam een einde aan meer dan een eeuw waarin Versailles het onbetwiste centrum van de Franse monarchie was geweest.
Van koninklijk paleis tot museum
Na het vertrek van het hof raakte Versailles voor decennia leeg en verwaarloosd; een deel van de inboedel werd tijdens de Revolutie verkocht of verspreid. Al in 1792 kreeg het gebouw officieel de status van nationaal museum, al bleef het lange tijd zonder duidelijke functie. Koning Lodewijk-Filips gaf het paleis in de jaren 1830 een nieuwe bestemming door er een geschiedenismuseum van te maken, gewijd aan "alle glorie van Frankrijk", met honderden schilderijen die veldslagen en vorsten uit de Franse geschiedenis tonen.
In de twintigste eeuw kreeg de Spiegelzaal nog een keer een plek in de wereldgeschiedenis: op 28 juni 1919 ondertekenden vertegenwoordigers van Duitsland en de geallieerde mogendheden er het Verdrag van Versailles, dat een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. Dezelfde zaal die ooit als decor diende voor de macht van Lodewijk XIV, werd zo het toneel van een van de belangrijkste diplomatieke akkoorden van de twintigste eeuw. Sindsdien is het paleis, samen met de tuinen en de Trianons, een van de meest bezochte musea van Frankrijk en sinds 1979 opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Wie deze geschiedenis ter plekke wil zien, vindt de praktische informatie in het kasteel van Versailles bezoeken.


